Wees gegroet!

Met vriendelijke groet wil ik je laten weten
hoe heet de soep nu wordt gegeten.
In zeven sloten heb ik alles laten lopen,
maar daardoor zijn nu alle poorten open,

en kiest men consequent verkeerd de weg.
Een lichaam wordt nieuwsgierig opgedregd.
Hoe men vergadert: men zegt ja en amen.
Alleen komt het bij mij niet samen.

Want buiten vliegt een vogel erop uit.
Want zon en licht kwamen tot het besluit
om, bleekjes, duizend doden  te negeren.
Doorschijnend ben ik, keizer zonder kleren.

Met dringende groet wil ik je laten zien
hoe goed het met mij gaat, althans misschien.

© Danny Habets, begin april 2023

Vade retro

Onvergeten sleept je deze drift
tot over randen waar je niet wilt gaan.
Verbijsterd kijkt het zich zichzelf aan,
hoe alle tekens er zijn ingegrift.

Stevig denk je als een rots te staan,
maar dat blijkt slechts een broze klif.
Je denkt: ik ben het allergrootste gif,
de hand die aan zichzelf zal slaan.

Gelukkig speel ik veel toneel, en carnaval,
wat mij betreft, is altijd overal –
ik leef helemaal op van maskerade.

Een Prins der Duisternis ben ik gewis:
pas als de laatste gast verdwenen is,
zet ik dromen om in boze daden.

© Danny Habets, 30 maart 2023

Ongemaskerd

Wij stoten onze neuzen soms:
Men kust te familiair bij het ontmoeten
Wie we uit een te vol hart begroeten,
Of we zeggen gewoon iets stoms.

Wat maakt het uit, dat een drankje
Ons serveert tot iets te blije gast,
Die door het plotse weerzien werd verrast
(Zijn hart werd zo licht als een sprankje).

De roes, die maakt dat ik vergeet
Wat mijn plaats is, schrikt jou af.
Wat ik lees op je gezicht, is straf

Voor mijn vermetelheid: mijn kreet
Gezien te willen worden zoals dan.
Ik stoot mijn neus zo vaak ik kan.

Danny Habets, carnaval 2023

Ode

Zal ik jou, mijn lief, bezingen
Op hoge en verheven toon
Of discussiëren over dingen
Die ons binden doodgewoon?

Waardoor gaat het pijnlijk wringen,
En verdien ik, naar het schijnt, je hoon?
Wat doet jou het raam uitspringen,
Wanneer val ik uit de toon?

Pluk de dag zeg jij, maar dagen
Zijn met moeite te verdragen
Als jij slechts schijnt bij nacht.

Helder sta je dan als ster
Aan de hemel, iets te ver
Om mij te zien, terwijl ik wacht.

© Danny Habets, februari 2023

Spiegeltje aan de wand

Zeven dwergen waren nodig
Voor een dode koningin.
Geloofde iedereen daarin,
Waren sprookjes overbodig.

Boze tongen zijn onaardig:
Moeders mooiste is hij niet.
Toch vindt zij hem als ze ‘m ziet
Heel de zure appel waardig.

Grote stappen lijken klein:
Eén gulle hap, met zorg gekozen,
En een les niet te vergeten.

Onschuld zou voor eeuwig zijn.
Appels zouden blijven blozen.
Maar gulzig wil men beter weten.

© Danny Habets, februari 2023

Uitgesneeuwd

Où est la très sage Heloïs,
Pour qui fut chastré et puis moyne
Pierre Esbaillart à Sainct-Denys?
Pour son amour eut cest essoyne.

(François Villon)

“Weleer” is weliswaar wat ouderwets, maar toch
een treffend woord, een speleding voor even tussen
een gratis lunch, meeslepend leven en het kussen
van jou, je zoetrode mond, liefst vandaag nog.

Maar waar ben jij, waar zijn de vlokken sneeuw van toen?
Je lijkt gedwarreld, verder weg dan ooit, zo wreed
ontluisterd. Wanneer werd het samen zijn te heet?
Ik had het nogmaals, vele malen willen doen!

De zon werd plots te hinderlijk, ze scheen te fel
voor gladgestreken plooien, kijk dan toch hoe snel
de sneeuw verdwijnt, die volle sneeuw van toen, “weleer”.

Nu zijn we uitgestormd, de lucht bedrieglijk klaar,
te kale vissen zwemmen in de vijver daar.
Mochten wij botsen op elkaar, ik deed het weer.

© Danny Habets, februari 2023

Leesinstructie

Men is geen ik
zo min als dat

ik mijzelf niet ben
maar een exemplarisch wij

(wij zijn echter /
niet majesteitelijk)

Ik ben ons
allemaal

van opzij
van dichtbij –

Men is een lyrisch subject
op een doodlopende weg

© Danny Habets, januari 2023

Men voelt nattigheid

Nog steeds zie ik het licht niet,
Dat jij over mij laat schijnen.
Zo langzaam gaat het harder schrijnen,
Deze schaafplek, dit debiet

Aan komen, stromen en verdwijnen.
Men is zichzelf niet meer, de rivier
Spoelt alles schoon en weg van hier.
Zij laat wat was kleinzielig kwijnen.

Zo zit je op een avond in het bad,
Je kleine ziel gaat dubbel nat:
“Ik ben de maat van alle dingen.”

Het is te kort, je glijdt spiernaakt
Uit als je naar de handdoek haakt.
Het gisten laat zich niet bedwingen.

© Danny Habets, januari 2023

Laven

Ik ben gezwicht op klaarlichte dag.
Ik heb mij tegen het licht gehouden.
De sneeuwman is helaas verkouden,
Maar hij verliest niets aan gezag.

Het stormt, het hagelt bovenin.
De kogels hebben grote ogen.
Gelukkig heb ik iets bewogen.
Ja, dit is nog maar het begin.

De ogen kosten maar een schijn,
Als ik naar binnen toe verdwijn,
Mij innig laaf aan navelstaren.

De hartslag versnelt, gaat in galop,
Bestijgt zijn eigen vreemde top,
Ook als ik kalmte moet bewaren.

© Danny Habets, januari 2023