Poging 7 (finale)

Met het schietlood, zoals men zegt.
Zo iemand komt met alles weg.

Ik zet een stelling op, voor het oog charmant,
En breng hem dan een beetje uit balans.

Heb ik voldoende doorgetast, ontspring
Ik onverwacht en ondoordacht de dans?

Vertrouwt men soms te zeer op eigen
Onaantastbaarheid, waar bescheiden zwijgen

Iets beter had gepast? Kent men zijn plaats wel,
Als men hemels wil bestormen,

Om maar geen kruimel te zijn (het hemd
Nader dan de rok van het universum)?

In dubio, maar met aplomb, sta ik naakt
Aan de rand die naar mij haakt.

Poging 6

Over de schoonheid van de ziel
Weet ik zo goed als niets.

En ook mijn stijve mijter
Maakt mij nauwelijks wijzer.

Hoe kom ik zo hardnekkig?
Ik lijk wel gek.

Probeer ik dichterbij te schrijven,
Rechtstreeks vanuit een gemoed,
Dan doe ik dat hoogdravend goed.
Toch kan ik beter zwijgen.

Te veel confessies laven slechts
Het dorstig ego van een verlepte

Erotomaan. Ik zie dat met lede ogen:
Zin voor zin heb ik gedood. Verdoofd.

Poging 5

Soms moet je, soms ook niet,
Notitie nemen van de Grieken.

Hebben die niet alles al bedacht,
En innerlijk doorleefd met hun tragedies?

Gooi ik mijzelf gratis voor de leeuwen,
Of wil ik liever wat ik weet vergeten?

Ik breng mijzelf in stelling,
Koester zoet de roes van stelligheid.

Ik vloek wat in een kerk,
Maar biecht vervolgens onbeperkt.

Zo innig vrij kan wrijving zijn.
Als men aanmeert bij het eigene,

Zie je bomen vol met vogels
Uitsluitend van zichzelf dromen.

Poging 4

Ik breek het glas
Door de zwaartekracht

(Die zwaar tilt aan het vallen
Van alles). Wat eerst een spiegel was

Ligt op de koude grond dooreen.
Dat geeft dan ook geen

Heel betrouwbare reflectie
Van wat mij beweegt
Of bewogen heeft.

Ik ben van steen en peins
Oneindig over eindigheid.

Wat niet leeft, zal ook niet sterven.
Dit is dus wat de pret bederft,
En toch is het geweldig. Overweldigend.

Poging 3 (herziene versie)

Poging 3 krijgt u niet zien.
Is mislukt, geheel

In duigen, kaputt op alle fronten.
Te veel vlekken

Waar ik beter niet in wrijf,
En anderzijds te stijf

Van aanpak om welk doel
Ook te bereiken. Zoek

Het maar uit met uw gedachten
En hopen van verwachtingen.

Poging 2

Ik loop de berg op, hij rolt mij af.
Aan deze rots verspil ik alle kracht.

Mijn verlegen glimlach ligt niet vast,
Maar is versteend, nog eer

de schilder mogelijkheden zag
idee met zijn verbeelding te verenigen.

Wij maken slechts wat droombaar is:
Een vurig licht, ja overweldigend

op zichzelf, maar ook onwerkelijk.
Een idee van een idee.

En men vergeet: hoe zeer de steen
Op de rug van Sisyfus zweet.

Men draaft en woelt vergeefs, en keert
Terug op zijn innigste schreden.

© Danny Habets, april 2025

Poging 1

Er is geen afstand, zo aftands
zijn wij, zo tam. Geen vinger omhoog

Die niet naar de hemel wijst,
ook al is hij net zo klein

als kleinduimpje en net zo groot
als de verhalen die je eruit zoog,
die genoeglijk klonteren, vergroeien,
en vergeefs leegbloeden.

Ik houd mij liever doof
dan dood. De grond is koud.

Het is een kwestie van zich verhouden.
Tussen zelfbehoud en je vloeibare,

riviergelijke verlangen, want daar zit ik,
daar zit uiteindelijk niks.

© Danny Habets, april 2025

Oud-Hollandsche tradities

De propriétaire kwam even poolshoogte nemen.
Het etablissement zat vol querulanten.
De kelner had er weinig fiducie in
Of zij voldoende liquide en solvabel
Waren om de genuttigde spiritualiën
Voldoende te verdisconteren.

Nota bene had deze te geringschattend
De acquisities afgestemd op de begrote
Dorst van zijn vaste clientèle.
Heel wat pret kwam uit het frietenvet.
Snakkend snackte men erop los.

De stemming sloeg om, kapseisde.
Aanstonds verdiepte men zich niet meer
In de intrinsieke motivatie van zijn opponent
En sloeg de vlam
Spreekwoordelijk in de pan.

Nog lang zag men de strepen en vegen.

© Danny Habets, augustus 2024

(Mit gebrochener Stimme)

Wij zijn zeloten als het gaat
Om kleine dingen die we vinden
in groene, onbedorven staat,
en waaromheen wij handen winden.

Geen ding ontsnapt de wurggreep
van stennis, schennis en berouw.
Geen keel die ik niet dichter kneep,
al doe ik dat vooral voor jou.

Jij denkt als nachtegaal te zingen,
maar ik belet je vrije stem
om uit te vliegen, breek ad rem

je vleugels, pootjes, alle dingen
die jou maken maak ik dood.
Maar ook ik zelf raak uit het lood.

© Danny Habets, maart 2024

Heiliging

Van hetzelfde laken een pak:
Likmevestje en van katoen.
Vooral de kleren moet je doen,
Of krijgen, en je auto in de prak.

Klokkenspelen met zijn velen.
Wat is heter dan een schoen:
Vóór mij de trap op, een nachtzoen?
(Alsof jou dat wat kan schelen)

En zeven keer mijn ogen strelen,
En alle schaduwen eerlijk delen,
Totdat je dagen goed zijn opgegkropt.

Er zijn te weinig lijken in de kast,
Hoewel met zorg nauwkeurig weggestopt:
Je ziel en zaligheid. Daarom: opgekrast!

© Danny Habets, maart 2024