Gebroken wit

Ben ik gekleurd genoeg,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan?
Of houd je altijd je groene vinkjes
Beschuldigend tegen me aan?

Mijn huid is vijftig tinten: van roze
Tot lichtbruin, gevlekte snit.
Toch zie jij, met hetzelfde rode bloed,
Mij hardnekkig als te breken ‘wit’.

Natuurlijk kunnen wij kleuren lezen,
Wij zien de letters van je leed.
Maar minst van alles zijn wij wit of zwart.

Zijn wij niet allen eenzame ikken?
Een keuze: in onze verdeeldheid stikken,
Of een feest dat de verbeelding tart?

Mieters

Je bent een mispunt
met je flanelletje en je fondsbril
een frik van de fröbelschool
met je appelflauwtes
                je boordeknoopje
                je directoire
                (oh la la!)

verwacht je een klabak
een kolenboer met zulke kolenschoppen
                die in zijn jekker
                de handkar trekt
zijn pilo of plusfour op halfzeven
maar mieters op zijn tijd?

ik kan je nu al zeggen
geen boudoir met antimakassars
(de canapé, de asla nog niet meegerekend)
                zal mij verleiden
                voorbij je vestibule
                te verwijlen

al kookt de melk over
al vliegt de Hollander
al speel je met je sokophouder

© Danny Habets, december 2021

Triptiek

Een gedicht in drie panelen

(1 – linkerpaneel)

als een bol zonder einde, begrijpelijk en voelbaar
zolang men niet beweegt
de tranen wist
men de korrels van zijn jas veegt

driemaal drie is negen
zolang men niet beweegt
en ieder zingt zijn eigen lied
(o, de muziek der sferen)

of zien we iets
vierkant over het hoofd
dronken van het draaien
de kwadratuur van het heilig vuur?

(2 – middenpaneel)

omdat dit punt in de ruimte bevriest
tijdelijk tijdloos: het vuur verliest

zijn zuurstof, waardoor men opbrandt
in zichzelf, moment zonder momentum (zoals

het klokje overal tikt
en men dus nergens thuis is)

zodra de bron ontwaakt watert hij
met volle teugen omlaag

de steen wil niet meer deugen,
volledig uitgewoond

(3 – rechterpaneel)

zodat men dwaalt en verdwaald raakt
(het licht scheert even voorbij, de tijd

was er rijp voor). Nu, verblind
door zijn helderheid

zwerf je zonder zicht
door het labyrint:

het middelpunt overal,
en de omtrek nergens

© Danny Habets – 2021

Demonisch

Een jongen was ik
die met het meisje speelde

Een meisje was ik
Dat de jongen bespeelde

Ook bloeide ik, bloedend

Ook sprong ik
Als een vliegende vis

Een zwemmende vogel
In volle vaart

uit de zee omhoog,
Maar onbewogen

© Danny Habets – ergens in juli 2021, naar een fragment van Empedokles.

Steen der wijzen

#

Laat de steen maar aan zichzelf denken.
Hij heeft immers alle tijd,
raakt het spoor niet bijster en kwijt
Zich uitstekend van zijn zijn.

De plant zal geen gedachte schenken
Aan mijn of jouw bestaan.
Hij denkt er gewoon niet aan,
En vindt het zo wel fijn.

De celligen zijn verder heen:
Zij neigen zich te vervelen,
Te vermenigvuldigen door te delen.

Op eenzame hoogte, en alleen,
Als verste uithoek: daar sta jij!
Je kunt er met je hoofd niet helemaal bij.

© Danny Habets – 19 juli 2021

De kroon op het werk

Al zat ik op de Eiffeltoren 
Dan nog kon je me horen 

Schreeuwen. Het is toch God
geklaagd hoe kapot. 

Tingeltangel, bange mensen
Die naar buiten wensen.

Met een kap over je kop
Geeft men je op.

Niet de allerlaatste groet.
Zonder knuffel eeuwig slapen.

Met minder mensen. Naar bed
In mindere mate.

© Danny Habets, maart 2020

Veelstemmig, presto

Zoveel talen als ik spreek

Soms ben ik een mus
Soms ben ik een haan

Soms een aardewerken vaas

Ik stop maar niet met praten
Soms ben ik een god

Zoveel oren als ik voed

Soms huil ik met de ingebeelde wolven
Als een kind
Soms verbeeld ik mij

Gewiegd te worden in je armen

© Danny Habets, maart 2020

Pierre Kemp

Zoveel kleuren als hij had
Men nog nooit gezien.
Zoveel potloden in de hand:
Nog niet misschien.

Ruiterlijk zou men willen
Toegeven, met de adeldom
Van geest de pen te drillen
Totdat de vlokken rondom.

Nu staan in het gelid
De ruggen, in het wit
Binnenvallende zonlicht.

Zijn stem klinkt alleen
Door de bladzijden heen.
Het is dan ook geen gezicht.

© Danny Habets, januari 2020 ~ geschreven in opdracht van Maastricht Boekenstad / Universiteitsbibliotheek Maastricht, ter gelegenheid van Poëzieparcours: Dichters van nu.

Zolang

Zolang je je niet vertilt
met wat je vertelt

is er weinig verschil
of wat je meldt

berust op evidente feiten
zichzelf verklarende voetnoten

of schuine zuivere poëzie, de fijne
verdichting

&

zolang je niet verdwijnt
dan in je woorden

zullen ze je horen

zolang je niet wegkwijnt

zo lang zul je zijn